Leven in kloosters

Getij gebeden

Kloosterlingen leven en werken volgens een vast dagelijks ritme. Zeven maal per dag verzamelen zij zich in de kapel voor het koorgebed of de getijden, een opeenvolging van geestelijke lezingen, gebeden en gezangen.

De volgorde van de getijden:

+ In de nacht worden de metten gebeden, de wereld slaapt nog en toch begint hier de dag. Wie is niet eens rond vier uur thuis gekomen en heeft de merel al gehoord. De dag begint eigenlijk al!

+ Bij de dageraad de lauden, de eigenlijke start van de dag. Stilstaan bij het idee: “hoe begin ik de dag?”.

+ Bij de aanvang van het werk de terts, rond twaalf uur voor het eten de sext, rond drie uur de noon, Deze drie korte gebeden bepalen het verdere verloop van de dag. De sext wordt op het midden van de dag gezongen. Rond het middaguur valt het keerpunt van de dag: de frisheid van de ochtend zakt in, er is de verleiding om wat in te zakken, het noen-duiveltje ligt op de loer.

+ Bij zonsondergang de vespers, wanneer de werkdag voorbij is. Het avondgebed begint met een vaste opening: “God, kom mij te hulp, ..”, dan wordt ook het ”Magnificat van Maria” gezongen.

+ Na het avondmaal de completen. Vroeger toen er geen kunstlicht was en kaarsen te duur waren, gingen de kloosterlingen na dit gebed naar bed. Ze moesten ook weer vroeg opstaan.